A date I will never forget is 24 December 2008. That evening, I received a phone call and an email from the Van den Wijngaard family in the Netherlands, who were confronted with a most remarkable phenomenon. Their tame Agapornis roseicollis, Pivo, one and a half years old, had laid five eggs in her cage and had spontaneously begun incubating them. The bird had been with the family for eighteen months and had never been in contact with conspecifics during that time [1], [2, p. 604].
Their astonishment was therefore immense when, on that particular Christmas Eve, they discovered that a chick had actually hatched. This goes against all logic, as it is generally accepted that fertilised eggs in birds cannot occur without the involvement of a male. And indeed, in 99.999999999% of cases, a male is absolutely necessary. Yet, as so often in nature, exceptions do exist. Nature does not easily conform to rigid categories, and exceptions tend to confirm the rule. This phenomenon does exist, and it even has a name: parthenogenesis.
For a long time, parthenogenesis was described as conceptio sine concubitu, which may be loosely translated as “conception without mating.” It was Richard Owen who first defined the term parthenogenesis as “reproduction without the immediate influence of a male.” Later, this definition was refined several times, notably by Beatty. Today, parthenogenesis is defined as “the development of an embryo from a female gamete without any genetic contribution from a male gamete, which may or may not develop into a mature individual.”
Unfortunately, the chick survived only a few days. It was examined in a laboratory in England, where its DNA was compared with that of the mother. This analysis confirmed beyond doubt that the case was indeed one of parthenogenesis. We subsequently published an article on this finding in the April 2009 issue of the BVA journal. An amusing detail is that many readers initially believed the article to be an April Fool’s joke, which is understandable, as most people had never heard of parthenogenesis.(Here you can read the article)
Such cases are extremely rare and are often considered “once in a lifetime” events. Nevertheless, exceptions continue to confirm the rule. A few weeks ago, we were contacted once again, this time by Andras Gembla, an agapornid enthusiast from Canada, who reported a very similar experience with his tame Agapornis roseicollis. The bird regularly lays eggs and incubates them for a period, after which she naturally ceases brooding.
In early October (around 8–10 October), the bird began laying eggs again, producing a total of five. On 6 November, to their great surprise, they discovered a chick in the nest. It is assumed that Zuza — as the chick was named — hatched around 1 November. To date, the chick appears to be in excellent health.
Naturally, this represents a highly interesting case for us. We are currently exploring, together with several laboratories, the possibility of conducting DNA analyses. In other words: to be continued.
Sources:
[1] Dirk Van den Abeele, ‘Partheogenese bij Agapornis roseicollis’, Agapornis.info, nr. 2009/2, p. 62, 2009.
[2] D. Van den Abeele, Lovebirds Compendium, 1ste dr. Warffum- The Netherlands: About Pets, 2016.
Een datum die ik nooit zal vergeten, is 24 december 2008. Die avond werd ik telefonisch gecontacteerd en ontving ik een e-mail van de familie Van den Wijngaard uit Nederland, die met een bijzonder merkwaardig fenomeen werd geconfronteerd. Hun tamme Agapornis roseicollis, Pivo, anderhalf jaar oud, had in haar kooi een vijftal eieren gelegd en was spontaan beginnen broeden. De vogel verbleef al anderhalf jaar bij de familie en had in die periode nooit contact gehad met soortgenoten. [1], [2, p. 604].
De verbazing was dan ook enorm toen men op die bewuste kerstavond vaststelde dat er daadwerkelijk een jong was uitgekomen. Dat druist immers in tegen alles wat we logisch achten: voor zover bekend is het bij vogels onmogelijk dat bevruchte eieren ontstaan zonder tussenkomst van een mannetje. En dat klopt ook — in 99,999999999% van de gevallen is een mannetje inderdaad noodzakelijk. Maar, zoals zo vaak in de natuur, bestaan er uitzonderingen. De natuur laat zich nu eenmaal niet gemakkelijk in vaste vakjes onderbrengen. Dit zeldzame verschijnsel bestaat, en het heeft zelfs een naam: parthenogenese.
Parthenogenese werd lange tijd omschreven als “conceptio sine concubitu”, vrij vertaald: zwanger worden zonder paring. Het was Richard Owen die als eerste de term parthenogenese definieerde als “voortplanting zonder de onmiddellijke invloed van een mannetje”. Later werd deze definitie meerdere malen verfijnd, onder andere door Beatty. De huidige definitie luidt: “de ontwikkeling van een embryo uit een vrouwelijke gameet zonder enige genetische bijdrage van een mannelijke gameet, al dan niet uitgroeiend tot een volwassen individu.”
Helaas leefde het jong slechts enkele dagen. Het werd onderzocht in een laboratorium in Engeland, waar het DNA werd vergeleken met dat van de moeder. Dat onderzoek bevestigde ondubbelzinnig dat het hier om parthenogenese ging. Over deze uitzonderlijke waarneming publiceerden we een artikel in het BVA-blad van april 2009. Een leuk detail: heel wat lezers dachten dat het om een aprilgrap ging, wat begrijpelijk is, aangezien de meesten nog nooit van parthenogenese hadden gehoord. (het artikel kan u hier lezen)
Dergelijke gevallen zijn uiterst zeldzaam en worden vaak beschouwd als “once in a lifetime”-gebeurtenissen. Toch bevestigen uitzonderingen steeds de regel. Enkele weken geleden werden we opnieuw gecontacteerd, ditmaal door Andras Gembla, een agapornidenliefhebber uit Canada, die een gelijkaardige ervaring had met zijn tamme Agapornis roseicollis. De vogel legt regelmatig eitjes en broedt daar een tijd op, waarna ze het broeden spontaan stopzet.
Begin oktober (rond 8–10 oktober) begon de vogel opnieuw eieren te leggen; in totaal vijf. Op 6 november ontdekten ze tot hun grote verbazing een jong in het nest. Men vermoedt dat Zuza — zo werd het jong genoemd — rond 1 november is uitgekomen. Tot op heden lijkt het jong in uitstekende gezondheid te verkeren.
Uiteraard is dit voor ons een bijzonder interessante case. Momenteel bekijken we samen met verschillende laboratoria de mogelijkheden om een DNA-onderzoek op te zetten. Met andere woorden: wordt vervolgd.
Bronnen:
[1] Dirk Van den Abeele, ‘Partheogenese bij Agapornis roseicollis’, Agapornis.info, nr. 2009/2, p. 62, 2009.
[2] D. Van den Abeele, Lovebirds Compendium, 1ste dr. Warffum- The Netherlands: About Pets, 2016.
